Wanneer een patiënt niet langer voldoende in staat is om zelfstandig te ademen kan het nodig en zinnig zijn kunstmatige beademing toe te passen. Dit houdt in dat een machine de ademhaling gedeeltelijk of volledig overneemt. Voor sommige patiënten blijkt het moeilijk om van de beademing ontwend te worden. Daardoor kan het nodig zijn om langdurig te beademen.

Tube

In het algemeen wordt een patiënt beademd door een tube. Dat is een buis die door de mond in de keel van de patiënt is ingebracht. Wanneer de patiënt voldoende wakker is om te kunnen reageren, is hij of zij nog niet in staat te praten. Dit komt door de tube, die tussen de stembanden is ingebracht. Tijdens de kunstmatige beademing kan men niet goed hoesten. Het kan daarom noodzakelijk zijn dat de verpleegkundige het slijm in de longen wegzuigt.

Sondevoeding

Omdat de beademde patiënt ook niet kan eten, is het voeden de taak van de arts en de verpleegkundige. Meestal gebeurt dit door druppelsgewijs vloeibare voeding door een slangetje (sonde) wordt toegediend. Deze sondevoeding bevat alle benodigde voedingstoffen.

Verschillende signalen

De beademingsmachine kan verschillende signalen geven, zoals lichtjes, zoemtonen en piepjes. De meeste signalen hebben weinig betekenis. U hoeft dus niet bij elk signaal te denken dat er iets aan de hand is. De IC-verpleegkundige kent er de betekenis van en weet erop te reageren.